Preek - 1 Koningen 21 - MEER, MEER, MEER

Inleiding

We zitten midden in een crisis – al meer dan een half jaar.

Het lijkt de grootste crisis die Nederland heeft gehad sinds WOII.

We zouden bijna vergeten dat de coronacrisis niet de enige crisis is.

Natuurlijk, die coronacrisis heeft een enorme impact op ons dagelijks leven,

zoveel dat we zomaar zouden vergeten

dat er in de wereld nog wel wat meer dingen aan de hand zijn…

Maar, zoals ik ergens las: wij lijken maar 1 crisis tegelijkertijd te kunnen handelen.

 

Vandaag is de Micha-zondag.

Micha Nederland vraagt juist vandaag aandacht voor die andere crises.

Crises die misschien niet zo’n directe impact op ons leven hebben,

maar daarom nog niet minder gevaarlijk zijn!

De milieucrisis bijvoorbeeld.

Of de crisis hoe we met vreemdelingen omgaan.

Of, waar Micha Nederland vandaag speciaal aandacht voor vraagt,

de crisis van moderne slavernij.

Wij kunnen wel denken dat de coronacrisis echt heel erg is,

maar bedenk er dan wel bij dat de zwaksten van de wereld

extra hard door de coronacrisis worden getroffen.

Zíj krijgen de hoogste rekening gepresenteerd.

 

Het is helaas nooit anders geweest.

Mensen met macht willen alleen maar meer, meer, meer,

en de zwakken moeten ervoor wijken.

Ook in het bijbelverhaal van vandaag gebeurt dat –

we lezen 1 Koningen 21.

 

1.   Gods land

Mijn eerste gedachte bij dit verhaal,

en eigenlijk mag ik dat niet zeggen,

is dat het veel beter had kunnen aflopen

als die Nabot niet zo’n stijfkop was geweest.

Wat Achab en Izebel hier uitspoken is op geen enkele manier goed te praten,

maar waarom doet Nabot zo moeilijk?

Ik bedoel, hij heeft een stuk land, de koning wil het graag hebben,

en hij doet een bod dat op mij heel redelijk overkomt:

Nabot kan er een beter en groter stuk land voor terugkrijgen,

of, als hij dat liever heeft, een flinke zak geld, boven de taxatiewaarde.

Achab is koning hè – hij had het land ook gewoon kunnen opeisen,

zo doen koningen dat namelijk.

Maar dit bod van Achab lijkt voor alle partijen winst –

dus waarom weigert Nabot zo koppig?

 

Om Nabot te begrijpen,

moet je echt je Westerse bril afzetten.

Bij ons zou het bod van Achab inderdaad heel redelijk zijn,

al zou het Nabot ook vrij staan om er nog wat meer uit te slepen.

Het is niet perse leuk om uitgekocht te worden,

maar als je ver boven de marktwaarde betaald wordt,

zullen de meesten het aanbod toch wel accepteren.

Want voor ons is land inwisselbaar bezit.

Wij, Nederlanders, zijn de meesters van het land wisselen:

ruilverkaveling heeft boerderijen zoveel efficiënter gemaakt!

Andere boeren hebben goed geboerd

door plaats te maken voor snelwegen en woonwijken.

Uiteindelijk gaan wij er vanuit dat alles te koop is,

als je maar genoeg wilt betalen - dus noem je prijs maar.

 

Achab gaat daar ook vanuit.

Voor het gemak vergeet hij even

dat in Israël een heel andere visie op land geldt.

Land is nooit van jezelf – het is Gods land.

Dat zegt bijvoorbeeld Psalm 24:

‘Van de Heer is de aarde en alles wat daar leeft.’

‘Van de Heer’, dus niet van Achab, en ook niet van Nabot.

Voor Nabot zit dat heel diep:

‘het is mijn land helemaal niet, dus hoe zou ik het aan u kunnen verkopen?’

Als je in een huurhuis woont,

en iemand bied je 400.000 voor je huis,

dan kun je daar toch ook niet op ingaan?!

 

In Israël golden ook wetten voor het land.

Een belangrijke is Leviticus 25, waar dit staat:

‘Land mag nooit verkocht worden, alleen verpand,

want het land behoort mij toe

en jullie zijn slechts vreemdelingen die bij mij te gast zijn.’

Even vertaald naar die huurwoning:

huurders mogen hun huis niet verkopen, alleen onderverhuren,

want het huis is eigendom van de huurbaas.

Klinkt logisch, toch?

 

Het mooie van dit systeem is dat er voor iedereen genoeg is!

God verdeelt zijn land zo dat er voor iedereen een stukje is om te gebruiken.

Of je nu Achab heet of Nabot: iedereen heeft zijn eigen plek,

en met die plek geeft God genoeg.

 

2.   Hebzucht veroordeeld

Maar Achab neemt daar geen genoegen mee.

Hij wil meer, meer, meer.

En ik vrees dat ik geen leuke boodschap heb:

wij zijn vaak net kleine Achabjes…

Geen Izebels – daar kom ik zo nog op – maar wel Achabjes.

 

Achab lijdt aan hebzucht.

Hij is niet tevreden met wat hij van God gekregen heeft – hij wil meer!

Net als wij: altijd op zoek naar meer waar, voor minder geld.

Dat een ander iets heeft wat jij ook wel zou willen –

dat is het hele probleem van Achab.

Achab neemt letterlijk ruimte in,

meer ruimte dan zijn familie van God in het land heeft gekregen.

Maar er is geen oneindige voorraad land,

dus als Achab meer wil, moet iemand anders met minder genoegen  nemen.

In dit geval Nabot: als hij het land verkoopt,

heeft hij daar misschien wel even profijt van,

maar uiteindelijk heeft hij niets meer om door te geven aan zijn kinderen.

 

Dat kan Achab allemaal niet schelen:

hij heeft zijn zinnen gezet op Nabots wijngaard.

En Achab gedraagt zich respectloos.

Een wijngaard heb je niet zo maar even aangelegd:

dat is een proces van jaren en kost bloed, zweet en tranen.

Maar Achab walst er overheen: hij wil er een groentetuintje van maken.

Nee, Nabot heeft groot gelijk dat hij geen zaken met Achab wenst te doen.

 

Teleurgesteld druipt Achab af.

Nu hij Nabots land niet zo makkelijk krijgt,

wordt zijn verlangen ernaar alleen maar groter.

Hij stelt zich aan als een klein kind, slaat met de deuren

en gaat naar zijn slaapkamer, waar iedereen hem met rust moet laten.

O, wat heeft Achab een medelijden met zichzelf.

Hij wil die wijngaard – zó graag!

 

Je kunt lachen om die reactie van Achab,

maar zoals ik zei: wij zijn kleine Achabjes…

Achab wil meer, en op dat principe is onze hele economie gebouwd.

Als mijn buurman iets heeft, wil ik dat ook,

en het liefst nog net een beetje mooier.

En vervolgens laat de buurman zich dat niet gebeuren,

en gaat er weer overheen.

Zo werkt de economie, en daarom moet de koopkracht elk jaar stijgen,

want alleen dan kunnen we meer kopen.

 

Helaas zijn er ook Nabots die voor die zogenaamde vooruitgang moeten wijken.

Ik noemde ze al:

het milieu, vluchtelingen, landgenoten met een ander kleurtje en slaven.

Zij betalen de rekening voor ons onverzadigbaar verlangen naar meer.

Ook nu, in coronatijd.

 

Zijn wij echt zo erg?

Niet zo lief van mij hè, om zo’n donderpreek te geven…

Maar ik denk dat we het vaak ook gewoon niet zien,

omdat de echte ellende zich buiten ons blikveld afspeelt.

We hebben, zeg maar, het vuile werk uitbesteed.

Net als Achab.

Hij stelt zich wel verschrikkelijk aan, maar hij doet geen vlieg kwaad.

Daar heeft hij Izebel voor.

Izebel zal het allemaal wel even oplossen.

Wel beschamend voor Achab trouwens:

wat ben je nou voor koning als je gaat mokken als je je zin niet krijgt,

en je vrouw het wel even voor je oplost?!

 

In ieder geval kan Achab zo het vuile werk aan Izebel uitbesteden.

Want vuil werk, dat is het!

Izebel speelt het heel slim.

Ze maakt namelijk gebruik van de Joodse wet –

diezelfde wet die zegt dat land van God is,

maar dat stukje wet is voor Izebel niet bruikbaar.

Izebel knipt en plakt wat haar goed uitkomt,

en zo ontstaat het plan: Nabot beschuldigen van Godslastering.

Op Godslastering staat de doodstraf,

én wie God lastert kan geen aanspraak meer maken op zijn land.

Als Izebel ervoor kan zorgen dat Nabot voor Godslastering wordt veroordeeld,

wordt het land verbeurd verklaard, en kan Achab het innemen.

En zo gebeurt het.

De wet, die er is om de zwakken te beschermen,

wordt zo verdraaid dat het Nabot zijn leven kost.

 

Achab hoeft dit allemaal niet te weten.

Izebel vertelt hem niet meer dan dat Nabot dood is,

en de wijngaard nu voor Achab.

Achab had kunnen vermoeden dat dit hele zaakje stinkt.

Dat doet hij waarschijnlijk ook – hij kent zijn vrouw langer dan vandaag.

Maar Achab vraagt niet door – hij neemt het zoals het is

en is blij dat híj geen vuile handen heeft hoeven maken.

 

Net als wij.

Als iets té goedkoop is, en dat geldt voor best wel veel dingen,

vragen we meestal niet door, maar vinden we het terecht

dat we voor een dubbeltje op de eerste rang kunnen zitten.

Wij hebben onze eigen Izebels.

Die toestanden in kamp Moria – wij blijven wel op afstand.

Moderne slavernij – wij bemoeien ons er niet mee.

Dat laten we liever aan onze Izebels over.

Gewetenloze handelaars wat verder weg in de productketen,

die het recht zo verdraaien dat het altijd in hun voordeel is.

Wij profiteren wel.

 

Maar zo makkelijk komt Achab er niet mee weg.

Hij kan zijn handen wel in onschuld wassen,

maar God doorziet het.

Hij stuurt de profeet Elia.

Naar Achab, niet naar Izebel, want God houdt Achab volledig verantwoordelijk.

‘Achab’, zegt Elia namens God, ‘jij hebt een moord gepleegd

en je de wijngaard van Nabot toegeëigend –

dacht je echt dat je daar wel mee weg zou komen?’

Dat Izebel daar nog als schakel tussen zit,

daar zegt God niets over: daar mag Achab zich niet achter verschuilen.

Dat geeft te denken: verschuilen wij ons vaak ook niet te makkelijk

achter een nogal ondoorzichtige productketen,

achter dat we nu eenmaal niet alles kunnen weten?

 

God gaat daar in ieder geval niet aan mee:

God keurt het gedrag van Achab af en komt op voor Nabot.

Sterker nog: God identificeert zich met Nabot.

God zegt: wat jij Nabot hebt aangedaan, heb je mij aangedaan.

Want Jezus is een Nabot!

Kort voor zijn dood vertelt Jezus een verhaal over een wijngaard:

de zoon van de eigenaar, en daarmee doelt hij op zichzelf,

wordt uit de wijngaard gezet en vermoord,

zodat anderen de wijngaard kunnen overnemen –

het is precies het verhaal van Nabot!

Maar er is meer: Jezus is op dezelfde manier als Nabot in de val gelokt.

Ook Jezus kreeg een schijnproces, met valse getuigen.

Met de wet in de hand werd het grootste onrecht begaan.

Net als Nabot werd Jezus aangeklaagd voor godslastering,

en werd hij erom geëxecuteerd.

Pilatus stond er als Achab bij, en waste zijn handen in onschuld.

Jezus kiest de kant van de Nabots van deze wereld.

 

En dan gaat God de boel ook rechtzetten.

Elia vertelt het met gruwelijke details,

maar waar het uiteindelijk op neerkomt:

Achab heeft Nabot zijn erfdeel afgepakt,

daarom zal God op zijn beurt Achabs erfdeel afnemen.

Het huis van Achab, de dynastie die met zijn vader Omri begonnen is,

zal niet langer bestaan.

Dát is gerechtigheid.

En Nabot?

Die krijgt er zijn leven niet mee terug.

Maar eens zal God hem alles teruggeven.

Ik zie al voor me dat Nabot op de nieuwe aarde

van God weer een stukje land krijgt om een wijngaard aan te leggen.

 

Bij Achab landt dan toch eindelijk wat hij gedaan heeft.

Hij scheurt zijn kleren en heeft spijt.

Ik denk dan: hij probeert gewoon te redden wat er te redden valt,

heel oprecht zal het allemaal niet zijn.

Maar God beoordeelt het heel anders.

Of misschien beoordeelt God het wel net als ik,

maar is hij een God die elke opening aangrijpt

om zijn genade te kunnen geven.

Dat doet God in ieder geval: hij stelt het oordeel uit,

geeft Achab een nieuwe kans.

 

Net als hij jou nieuwe kansen blijft geven.

Want dat kruis van Jezus

is niet alleen symbool van groot onrecht:

het is óók het symbool van dat God liever deze marteling ondergaat

dan dat hij jou veroordeelt en verloren laat gaan.

Bij het kruis van Jezus mag je opnieuw beginnen.

 

3.   Het Spijt me

Wij zijn kleine Achabjes – dat is mijn ongemakkelijke boodschap vandaag.

Maar Achab vond genade – dan mogen wij het ook vinden!

Daarom zeggen we vandaag: ‘het spijt me’.

Dat is niet vrijblijvend:

je kunt niet zeggen ‘het spijt me’, en ondertussen lekker doorgaan.

‘Het spijt me’ betekent dat je het zo écht niet meer wilt.

 

Bij het materiaal van de Micha-zondag vond ik een tekst,

waarvan het refrein is: ‘het spijt me’.

Ik lees die tekst voor,

en ik vraag jullie om elk ‘het spijt me’ hardop mee te zeggen.

 

Voor de pakjesbezorger die geen tijd meer heeft voor zijn gezin.

            Het spijt me.

Voor de arbeidsmigrant die met zestien anderen in een flatje is gepropt.

            Het spijt me.

Voor het kind dat de coltan uit mijn smartphone opgroef.

            Het spijt me.

Voor de moeder die om middernacht mijn t-shirt naaide.

            Het spijt me.

Voor de vader die mijn koffiebonen plukte en al een jaar niet naar huis mag.

            Het spijt me.

Voor de arbeider die het gif inademde van de verf op ons speelgoed.

            Het spijt me.

Voor de keren dat ik het eigenlijk wel wist, maar wegkeek.

            Het spijt me.

Voor de keren dat ik het niet wist, maar had kunnen weten.

            Het spijt me.

Voor de keren dat ik dacht dat ik er recht op had.

            Het spijt me.

Voor de keren dat ik het vanzelfsprekend vond dat ik hier geboren ben.

            Het spijt me.

Vader van ons allemaal, ik heb uw kinderen tekort gedaan.

            Het spijt me.

Vader van ons allemaal, ik heb mijn broers en zussen tekort gedaan.

            Het spijt me.

Vader van ons allemaal, ik heb u tekort gedaan.

            Het spijt me.

 

En dan mag ik je namens God zeggen:

je zonden zijn je vergeven – ga in vrede!

Amen.

1 Koningen 21 - MEER, MEER, MEER

Inleiding

We zitten midden in een crisis – al meer dan een half jaar.

Het lijkt de grootste crisis die Nederland heeft gehad sinds WOII.

We zouden bijna vergeten dat de coronacrisis niet de enige crisis is.

Natuurlijk, die coronacrisis heeft een enorme impact op ons dagelijks leven,

zoveel dat we zomaar zouden vergeten

dat er in de wereld nog wel wat meer dingen aan de hand zijn…

Maar, zoals ik ergens las: wij lijken maar 1 crisis tegelijkertijd te kunnen handelen.

 

Vandaag is de Micha-zondag.

Micha Nederland vraagt juist vandaag aandacht voor die andere crises.

Crises die misschien niet zo’n directe impact op ons leven hebben,

maar daarom nog niet minder gevaarlijk zijn!

De milieucrisis bijvoorbeeld.

Of de crisis hoe we met vreemdelingen omgaan.

Of, waar Micha Nederland vandaag speciaal aandacht voor vraagt,

de crisis van moderne slavernij.

Wij kunnen wel denken dat de coronacrisis echt heel erg is,

maar bedenk er dan wel bij dat de zwaksten van de wereld

extra hard door de coronacrisis worden getroffen.

Zíj krijgen de hoogste rekening gepresenteerd.

 

Het is helaas nooit anders geweest.

Mensen met macht willen alleen maar meer, meer, meer,

en de zwakken moeten ervoor wijken.

Ook in het bijbelverhaal van vandaag gebeurt dat –

we lezen 1 Koningen 21.

 

1.   Gods land

Mijn eerste gedachte bij dit verhaal,

en eigenlijk mag ik dat niet zeggen,

is dat het veel beter had kunnen aflopen

als die Nabot niet zo’n stijfkop was geweest.

Wat Achab en Izebel hier uitspoken is op geen enkele manier goed te praten,

maar waarom doet Nabot zo moeilijk?

Ik bedoel, hij heeft een stuk land, de koning wil het graag hebben,

en hij doet een bod dat op mij heel redelijk overkomt:

Nabot kan er een beter en groter stuk land voor terugkrijgen,

of, als hij dat liever heeft, een flinke zak geld, boven de taxatiewaarde.

Achab is koning hè – hij had het land ook gewoon kunnen opeisen,

zo doen koningen dat namelijk.

Maar dit bod van Achab lijkt voor alle partijen winst –

dus waarom weigert Nabot zo koppig?

 

Om Nabot te begrijpen,

moet je echt je Westerse bril afzetten.

Bij ons zou het bod van Achab inderdaad heel redelijk zijn,

al zou het Nabot ook vrij staan om er nog wat meer uit te slepen.

Het is niet perse leuk om uitgekocht te worden,

maar als je ver boven de marktwaarde betaald wordt,

zullen de meesten het aanbod toch wel accepteren.

Want voor ons is land inwisselbaar bezit.

Wij, Nederlanders, zijn de meesters van het land wisselen:

ruilverkaveling heeft boerderijen zoveel efficiënter gemaakt!

Andere boeren hebben goed geboerd

door plaats te maken voor snelwegen en woonwijken.

Uiteindelijk gaan wij er vanuit dat alles te koop is,

als je maar genoeg wilt betalen - dus noem je prijs maar.

 

Achab gaat daar ook vanuit.

Voor het gemak vergeet hij even

dat in Israël een heel andere visie op land geldt.

Land is nooit van jezelf – het is Gods land.

Dat zegt bijvoorbeeld Psalm 24:

‘Van de Heer is de aarde en alles wat daar leeft.’

‘Van de Heer’, dus niet van Achab, en ook niet van Nabot.

Voor Nabot zit dat heel diep:

‘het is mijn land helemaal niet, dus hoe zou ik het aan u kunnen verkopen?’

Als je in een huurhuis woont,

en iemand bied je 400.000 voor je huis,

dan kun je daar toch ook niet op ingaan?!

 

In Israël golden ook wetten voor het land.

Een belangrijke is Leviticus 25, waar dit staat:

‘Land mag nooit verkocht worden, alleen verpand,

want het land behoort mij toe

en jullie zijn slechts vreemdelingen die bij mij te gast zijn.’

Even vertaald naar die huurwoning:

huurders mogen hun huis niet verkopen, alleen onderverhuren,

want het huis is eigendom van de huurbaas.

Klinkt logisch, toch?

 

Het mooie van dit systeem is dat er voor iedereen genoeg is!

God verdeelt zijn land zo dat er voor iedereen een stukje is om te gebruiken.

Of je nu Achab heet of Nabot: iedereen heeft zijn eigen plek,

en met die plek geeft God genoeg.

 

2.   Hebzucht veroordeeld

Maar Achab neemt daar geen genoegen mee.

Hij wil meer, meer, meer.

En ik vrees dat ik geen leuke boodschap heb:

wij zijn vaak net kleine Achabjes…

Geen Izebels – daar kom ik zo nog op – maar wel Achabjes.

 

Achab lijdt aan hebzucht.

Hij is niet tevreden met wat hij van God gekregen heeft – hij wil meer!

Net als wij: altijd op zoek naar meer waar, voor minder geld.

Dat een ander iets heeft wat jij ook wel zou willen –

dat is het hele probleem van Achab.

Achab neemt letterlijk ruimte in,

meer ruimte dan zijn familie van God in het land heeft gekregen.

Maar er is geen oneindige voorraad land,

dus als Achab meer wil, moet iemand anders met minder genoegen  nemen.

In dit geval Nabot: als hij het land verkoopt,

heeft hij daar misschien wel even profijt van,

maar uiteindelijk heeft hij niets meer om door te geven aan zijn kinderen.

 

Dat kan Achab allemaal niet schelen:

hij heeft zijn zinnen gezet op Nabots wijngaard.

En Achab gedraagt zich respectloos.

Een wijngaard heb je niet zo maar even aangelegd:

dat is een proces van jaren en kost bloed, zweet en tranen.

Maar Achab walst er overheen: hij wil er een groentetuintje van maken.

Nee, Nabot heeft groot gelijk dat hij geen zaken met Achab wenst te doen.

 

Teleurgesteld druipt Achab af.

Nu hij Nabots land niet zo makkelijk krijgt,

wordt zijn verlangen ernaar alleen maar groter.

Hij stelt zich aan als een klein kind, slaat met de deuren

en gaat naar zijn slaapkamer, waar iedereen hem met rust moet laten.

O, wat heeft Achab een medelijden met zichzelf.

Hij wil die wijngaard – zó graag!

 

Je kunt lachen om die reactie van Achab,

maar zoals ik zei: wij zijn kleine Achabjes…

Achab wil meer, en op dat principe is onze hele economie gebouwd.

Als mijn buurman iets heeft, wil ik dat ook,

en het liefst nog net een beetje mooier.

En vervolgens laat de buurman zich dat niet gebeuren,

en gaat er weer overheen.

Zo werkt de economie, en daarom moet de koopkracht elk jaar stijgen,

want alleen dan kunnen we meer kopen.

 

Helaas zijn er ook Nabots die voor die zogenaamde vooruitgang moeten wijken.

Ik noemde ze al:

het milieu, vluchtelingen, landgenoten met een ander kleurtje en slaven.

Zij betalen de rekening voor ons onverzadigbaar verlangen naar meer.

Ook nu, in coronatijd.

 

Zijn wij echt zo erg?

Niet zo lief van mij hè, om zo’n donderpreek te geven…

Maar ik denk dat we het vaak ook gewoon niet zien,

omdat de echte ellende zich buiten ons blikveld afspeelt.

We hebben, zeg maar, het vuile werk uitbesteed.

Net als Achab.

Hij stelt zich wel verschrikkelijk aan, maar hij doet geen vlieg kwaad.

Daar heeft hij Izebel voor.

Izebel zal het allemaal wel even oplossen.

Wel beschamend voor Achab trouwens:

wat ben je nou voor koning als je gaat mokken als je je zin niet krijgt,

en je vrouw het wel even voor je oplost?!

 

In ieder geval kan Achab zo het vuile werk aan Izebel uitbesteden.

Want vuil werk, dat is het!

Izebel speelt het heel slim.

Ze maakt namelijk gebruik van de Joodse wet –

diezelfde wet die zegt dat land van God is,

maar dat stukje wet is voor Izebel niet bruikbaar.

Izebel knipt en plakt wat haar goed uitkomt,

en zo ontstaat het plan: Nabot beschuldigen van Godslastering.

Op Godslastering staat de doodstraf,

én wie God lastert kan geen aanspraak meer maken op zijn land.

Als Izebel ervoor kan zorgen dat Nabot voor Godslastering wordt veroordeeld,

wordt het land verbeurd verklaard, en kan Achab het innemen.

En zo gebeurt het.

De wet, die er is om de zwakken te beschermen,

wordt zo verdraaid dat het Nabot zijn leven kost.

 

Achab hoeft dit allemaal niet te weten.

Izebel vertelt hem niet meer dan dat Nabot dood is,

en de wijngaard nu voor Achab.

Achab had kunnen vermoeden dat dit hele zaakje stinkt.

Dat doet hij waarschijnlijk ook – hij kent zijn vrouw langer dan vandaag.

Maar Achab vraagt niet door – hij neemt het zoals het is

en is blij dat híj geen vuile handen heeft hoeven maken.

 

Net als wij.

Als iets té goedkoop is, en dat geldt voor best wel veel dingen,

vragen we meestal niet door, maar vinden we het terecht

dat we voor een dubbeltje op de eerste rang kunnen zitten.

Wij hebben onze eigen Izebels.

Die toestanden in kamp Moria – wij blijven wel op afstand.

Moderne slavernij – wij bemoeien ons er niet mee.

Dat laten we liever aan onze Izebels over.

Gewetenloze handelaars wat verder weg in de productketen,

die het recht zo verdraaien dat het altijd in hun voordeel is.

Wij profiteren wel.

 

Maar zo makkelijk komt Achab er niet mee weg.

Hij kan zijn handen wel in onschuld wassen,

maar God doorziet het.

Hij stuurt de profeet Elia.

Naar Achab, niet naar Izebel, want God houdt Achab volledig verantwoordelijk.

‘Achab’, zegt Elia namens God, ‘jij hebt een moord gepleegd

en je de wijngaard van Nabot toegeëigend –

dacht je echt dat je daar wel mee weg zou komen?’

Dat Izebel daar nog als schakel tussen zit,

daar zegt God niets over: daar mag Achab zich niet achter verschuilen.

Dat geeft te denken: verschuilen wij ons vaak ook niet te makkelijk

achter een nogal ondoorzichtige productketen,

achter dat we nu eenmaal niet alles kunnen weten?

 

God gaat daar in ieder geval niet aan mee:

God keurt het gedrag van Achab af en komt op voor Nabot.

Sterker nog: God identificeert zich met Nabot.

God zegt: wat jij Nabot hebt aangedaan, heb je mij aangedaan.

Want Jezus is een Nabot!

Kort voor zijn dood vertelt Jezus een verhaal over een wijngaard:

de zoon van de eigenaar, en daarmee doelt hij op zichzelf,

wordt uit de wijngaard gezet en vermoord,

zodat anderen de wijngaard kunnen overnemen –

het is precies het verhaal van Nabot!

Maar er is meer: Jezus is op dezelfde manier als Nabot in de val gelokt.

Ook Jezus kreeg een schijnproces, met valse getuigen.

Met de wet in de hand werd het grootste onrecht begaan.

Net als Nabot werd Jezus aangeklaagd voor godslastering,

en werd hij erom geëxecuteerd.

Pilatus stond er als Achab bij, en waste zijn handen in onschuld.

Jezus kiest de kant van de Nabots van deze wereld.

 

En dan gaat God de boel ook rechtzetten.

Elia vertelt het met gruwelijke details,

maar waar het uiteindelijk op neerkomt:

Achab heeft Nabot zijn erfdeel afgepakt,

daarom zal God op zijn beurt Achabs erfdeel afnemen.

Het huis van Achab, de dynastie die met zijn vader Omri begonnen is,

zal niet langer bestaan.

Dát is gerechtigheid.

En Nabot?

Die krijgt er zijn leven niet mee terug.

Maar eens zal God hem alles teruggeven.

Ik zie al voor me dat Nabot op de nieuwe aarde

van God weer een stukje land krijgt om een wijngaard aan te leggen.

 

Bij Achab landt dan toch eindelijk wat hij gedaan heeft.

Hij scheurt zijn kleren en heeft spijt.

Ik denk dan: hij probeert gewoon te redden wat er te redden valt,

heel oprecht zal het allemaal niet zijn.

Maar God beoordeelt het heel anders.

Of misschien beoordeelt God het wel net als ik,

maar is hij een God die elke opening aangrijpt

om zijn genade te kunnen geven.

Dat doet God in ieder geval: hij stelt het oordeel uit,

geeft Achab een nieuwe kans.

 

Net als hij jou nieuwe kansen blijft geven.

Want dat kruis van Jezus

is niet alleen symbool van groot onrecht:

het is óók het symbool van dat God liever deze marteling ondergaat

dan dat hij jou veroordeelt en verloren laat gaan.

Bij het kruis van Jezus mag je opnieuw beginnen.

 

3.   Het Spijt me

Wij zijn kleine Achabjes – dat is mijn ongemakkelijke boodschap vandaag.

Maar Achab vond genade – dan mogen wij het ook vinden!

Daarom zeggen we vandaag: ‘het spijt me’.

Dat is niet vrijblijvend:

je kunt niet zeggen ‘het spijt me’, en ondertussen lekker doorgaan.

‘Het spijt me’ betekent dat je het zo écht niet meer wilt.

 

Bij het materiaal van de Micha-zondag vond ik een tekst,

waarvan het refrein is: ‘het spijt me’.

Ik lees die tekst voor,

en ik vraag jullie om elk ‘het spijt me’ hardop mee te zeggen.

 

Voor de pakjesbezorger die geen tijd meer heeft voor zijn gezin.

            Het spijt me.

Voor de arbeidsmigrant die met zestien anderen in een flatje is gepropt.

            Het spijt me.

Voor het kind dat de coltan uit mijn smartphone opgroef.

            Het spijt me.

Voor de moeder die om middernacht mijn t-shirt naaide.

            Het spijt me.

Voor de vader die mijn koffiebonen plukte en al een jaar niet naar huis mag.

            Het spijt me.

Voor de arbeider die het gif inademde van de verf op ons speelgoed.

            Het spijt me.

Voor de keren dat ik het eigenlijk wel wist, maar wegkeek.

            Het spijt me.

Voor de keren dat ik het niet wist, maar had kunnen weten.

            Het spijt me.

Voor de keren dat ik dacht dat ik er recht op had.

            Het spijt me.

Voor de keren dat ik het vanzelfsprekend vond dat ik hier geboren ben.

            Het spijt me.

Vader van ons allemaal, ik heb uw kinderen tekort gedaan.

            Het spijt me.

Vader van ons allemaal, ik heb mijn broers en zussen tekort gedaan.

            Het spijt me.

Vader van ons allemaal, ik heb u tekort gedaan.

            Het spijt me.

 

En dan mag ik je namens God zeggen:

je zonden zijn je vergeven – ga in vrede!

Amen.