Preek - 1 Petrus 2a - GODS NETWERKERS

Inleiding

Nederland is een netwerksamenleving.

Echte netwerktijgers hebben zo ongeveer een volledige baan

aan het afstruinen van netwerkborrels.

Zo fanatiek ben ik niet, ik heb nog ander werk te doen,

en het eindeloos uitwisselen van visitekaartjes is niet zo aan mij besteed,

maar een beetje netwerken is echt wel nuttig:

iemand uit jouw netwerk stelt je voor aan iemand buiten jouw netwerk,

die weer iemand kent die precies heeft wat jij nodig hebt.

Handig toch!

 

Het mooiste is natuurlijk als je niet naar zo’n netwerkborrel hoeft,

maar spontaan zo’n ontmoeting hebt.

Ik had dat zo’n 5 jaar geleden.

Ik was nota bene op een toerustingsdag over preken,

een plek waar ik andere dominees dacht tegen te komen,

maar opeens stond ik oog in oog met een echte ict’er.

In die tijd was ik druk aan het onderzoeken

of een baan in de ict naast mijn werk in de kerk iets voor mij zou zijn,

maar ik liep daar een beetje in vast.

Ik wist geen ict’ers in mijn eigen netwerk,

en opeens spotte ik er een in het wild.

Dus ik dacht: die moet ik hebben!

Ik heb hem uitgehoord, later hebben we nog eens afgesproken,

hij wilde me zelfs wel een baan aanbieden,

maar de reisafstand was iets te groot.

Toch heeft hij me enorm geholpen,

door met me mee te denken

en me op weg te helpen in de wereld van de ict,

die voor mij totaal vreemd was,

en voor hem juist geen geheimen kende.

 

Waar een beetje netwerken al niet toe kan leiden:

inmiddels ben ik aardig ingeburgerd in de ict-wereld.

Vandaag gaan we verder met de 1e brief van Petrus,

en daar komen we zo tegen dat christenen ‘priesters’ zijn.

Misschien heb je daar allerlei associaties mee,

van kleurrijke gewaden tot bloederige offers,

maar naar vandaag gehaald zou je een priester ook als een netwerker kunnen zien.

Iemand die mensen met elkaar verbind.

Of, in dit geval, iemand die God en de wereld aan elkaar verbind.

Thema vandaag is: Gods netwerkers.

We lezen 1 Petrus 1:22-2:10.

 

1.    Rare jongens…

Vorige week zijn we begonnen met het lezen van deze brief.

Toen ging het erover dat christenen rare jongens zijn, of meisjes:

Petrus noemt hen vreemdelingen.

De christenen aan wie Petrus schrijft

wonen verspreid door wat tegenwoordig Turkije heet.

Ze waren daar geboren en getogen, zeg maar echte Turken,

maar toen ze christen werden,

plaatsten ze zichzelf buiten de samenleving.

Voortaan hadden ze dezelfde status als veel vreemdelingen vandaag ook hebben:

ze wonen er wel, maar tellen niet echt mee.

Alsof ze tweederangs burgers zijn geworden.

 

Zo keek de buitenwereld naar die christenen:

als vreemdelingen in hun eigen land.

Ze horen er niet meer bij, tellen niet langer als echte Turk.

Daarmee waren ze ook hun identiteit kwijt

die toen, veel meer dan vandaag,

werd bepaald door de groep waar je bij hoorde.

Er niet meer bij horen was dus het ergste wat je kon overkomen.

 

Vandaag gaat Petrus verder:

ze zijn vreemdelingen, maar dat is niet het hele verhaal!

Dat is hoe de buitenwereld naar hen kijkt,

maar God kijkt heel anders!

Als God kijkt naar die christenen in Turkije,

maar ook als God kijkt naar de kerk van vandaag,

dan ziet hij niet een stel uitgerangeerde rare snuiters:

God ziet iets heel anders.

Daarover gaat het stukje brief dat we net gelezen hebben.

 

2.    Gods netwerkers

Wat ziet God dan?

‘U bent een uitverkoren geslacht, een koninkrijk van priesters, een heilige natie,

een volk dat God zich verworven heeft.’

De grote woorden buitelen over elkaar heen.

Voor God zijn christenen geen rare gekkies:

ze zijn volk van God, een nieuwe familie,

niet afgewezen, maar juist waardevol en gekozen.

Dat is de nieuwe identiteit die God christenen geeft:

je bent dan wel vreemdeling in je eigen land,

maar ook thuis in God volk, in de familie van Jezus, in het nieuwe Israël –

want zonder blikken of blozen citeert Petrus de ene na de andere tekst uit het OT,

teksten die altijd aan Israël waren voorbehouden,

en past ze toe op iedereen die Jezus heeft leren kennen.

 

Volk van God, dat ben je natuurlijk niet in je eentje.

Het is precies zoals in dat liedje dat we zongen:

‘een voor een, steen voor steen,

niet alleen, maar samen vormen zij een huis.’

En niet zomaar een huis: Petrus heeft het over een ‘geestelijke tempel’.

Samen zijn christenen een tempel, een plek waar God wil wonen,

en dan gaat het dus niet om de stenen, maar om de mensen:

waar christenen samen Jezus aanbidden, dáár woont God.

De kerk is geen gebouw, maar een familie.

 

Die nieuwe identiteit die je als christen krijgt,

is dus niet iets tussen jou en God.

Je krijgt er direct een lading broers en zussen bij,

waarvan Petrus zegt: ‘daar kun je nu oprecht van gaan houden.’

Dát is wat kerk is.

Voor geloofsinhoud heb je de kerk nog niet perse nodig:

dat kun je op andere plekken ook wel halen.

Maar de kerk is de plek om te oefenen

met dat eenvoudige, maar o zo moeilijke gebod:

‘heb elkaar onvoorwaardelijk lief, met een zuiver hart.’

En ik weet ook dat er heel goede redenen kunnen zijn

om zonder kerk christen te zijn – want wat valt die kerk vaak tegen.

Maar christen ben je niet in je eentje:

bij je relatie met Jezus, krijg je er een familie bij.

 

Nu kan zo’n familie behoorlijk in zichzelf gekeerd raken,

al helemaal als de rest van de wereld ze maar rare snuiters vind.

‘Laat ze maar praten:

het gaat niet om wat mensen vinden, maar om wat God vindt.’

Maar die nieuwe identiteit die we van God krijgen,

die is juist op de rest van de wereld gericht!

Petrus noemt christenen een ‘koninkrijk van priesters, (…)

een volk dat God zich heeft verworven om de grote daden te verkondigen

van hem die u uit de duisternis heeft geroepen naar zijn wonderbaarlijke licht.’

Dat je deel bent van de familie waar God woont,

dat is niet bedoeld als een veilig plekje buiten de boze wereld,

als een warm bad waar je je even met gelijkgestemden omringt.

De bedoeling is juist dat christenen priesters zijn:

een verbindende schakel, netwerkers, tussen God en de wereld.

Sterker nog: dat is volgens Petrus het bestaansrecht van de kerk.

 

Nog even over die priesters.

Ik zei al: daar kun je allerlei associaties mee hebben.

In de bijbel is een priester een tussenpersoon, tussen God en mensen.

Hij brengt God naar de mensen, door namens God te zegenen,

en brengt mensen naar God, door namens mensen te bidden en offeren.

Maar hier, en in Exodus 19 – de tekst die Petrus aanhaalt,

gaat het om een heel volk van priesters:

het is de bedoeling dat Gods volk, die familie,

een schakel is tussen God en de rest van de wereld.

 

En dat gaat dus 2 kanten op.

Aan de ene kant betekent het dat we als kerk

God naar de mensen brengen.

Door zegenend aanwezig te zijn,

door zonder oordelen naar mensen te luisteren,

door lief te hebben en te dienen,

maar ook door te getuigen van Jezus en het leven met hem.

De andere kant is dat we als kerk

ook de wereld naar God mogen brengen:

dat we namens de wereld God danken en bidden,

niet alleen de dingen die ons persoonlijk bezig houden bij God brengen,

maar ook wat speelt in de wereld,

in de grote wereld, maar ook in het leven van je buren.

 

Ik realiseer me dat dit allemaal wel heel perfect kan klinken.

De kerk als een familie om onvoorwaardelijk van elkaar te houden,

een volk door God hoogstpersoonlijk uitgekozen

om netwerkers te zijn, een schakel tussen God en de wereld.

Is zo’n hoog ideaal niet een recept voor teleurstelling?

 

Om te beginnen denk ik: ja, de kerk valt vaak tegen,

maar dat is geen reden het hoge ideaal maar niet te noemen.

Van weten wie je bent, van weten hoe je door God bedoeld bent,

kan een enorme kracht uitgaan!

Net als andersom: als je altijd hebt gehoord dat je niets waard bent,

dan ga je dat vanzelf geloven en je ernaar gedragen.

Maar als je hoort wat God, door de mond van Petrus heen,

over ons zegt: dan ga je dat ook geloven, en je er steeds meer naar gedragen.

 

Maar nog belangrijker: het begint bij Jezus.

Jezus is dé steen en dé priester –

zonder Jezus zouden wij dat nooit zijn.

En zouden we er net zo hard in mislukken

als je Israël in het hele Oude Testament ziet doen.

Het gaat er niet om dat wíj zo goed zijn – maar om dat God goed voor ons is.

Dát maakt ons een familie, volk van God,

dat maakt ons levende stenen en een koninkrijk van priesters,

een verbindende schakel tussen God en de wereld.

En als je dat vergeet,

dan kun je de rest van deze preek net zo goed ook vergeten,

want dan heb je er helemaal niets aan.

De enige manier om die nieuwe identiteit die God geeft te omarmen,

is dicht bij Jezus blijven.

Zoals Petrus zegt: ‘verlang als pasgeboren zuigelingen

naar de zuivere melk van het woord,’

en ‘voeg u bij hem, bij de levende steen die door mensen werd afgekeurd.’

De kerk is niet ons project – maar van Jezus!

 

3.    De wereld bij God brengen

In de wereld ben je als christen misschien een rare,

maar God kijkt heel anders: God ziet een nieuwe familie,

netwerkers die een schakel zijn tussen hem en de wereld.

 

De oproep God de wereld in te brengen,

naar buiten te gaan met Gods liefde, te dienen

en misschien ook te vertellen waarom Jezus het beste is dat je is overkomen,

die oproep klinkt wel vaker.

Ik wil je vandaag juist eens uitnodigen voor die andere kant:

de wereld bij God brengen.

En daarmee bedoel ik dus niet mensen naar Jezus leiden,

maar wat je ziet in de wereld, dichtbij en ver weg,

dat je dat namens die wereld, ook al vraagt die wereld je er niet om,

bij God brengt.

Dan ga je direct anders naar die wereld kijken:

in plaats van het allemaal lekker langs je heen laten gaan,

sta je dan betrokken in de wereld.

Kijk zo om je heen:

wat kom jij in de wereld tegen dat je bij God wilt brengen?

Amen.

1 Petrus 2a - GODS NETWERKERS

Inleiding

Nederland is een netwerksamenleving.

Echte netwerktijgers hebben zo ongeveer een volledige baan

aan het afstruinen van netwerkborrels.

Zo fanatiek ben ik niet, ik heb nog ander werk te doen,

en het eindeloos uitwisselen van visitekaartjes is niet zo aan mij besteed,

maar een beetje netwerken is echt wel nuttig:

iemand uit jouw netwerk stelt je voor aan iemand buiten jouw netwerk,

die weer iemand kent die precies heeft wat jij nodig hebt.

Handig toch!

 

Het mooiste is natuurlijk als je niet naar zo’n netwerkborrel hoeft,

maar spontaan zo’n ontmoeting hebt.

Ik had dat zo’n 5 jaar geleden.

Ik was nota bene op een toerustingsdag over preken,

een plek waar ik andere dominees dacht tegen te komen,

maar opeens stond ik oog in oog met een echte ict’er.

In die tijd was ik druk aan het onderzoeken

of een baan in de ict naast mijn werk in de kerk iets voor mij zou zijn,

maar ik liep daar een beetje in vast.

Ik wist geen ict’ers in mijn eigen netwerk,

en opeens spotte ik er een in het wild.

Dus ik dacht: die moet ik hebben!

Ik heb hem uitgehoord, later hebben we nog eens afgesproken,

hij wilde me zelfs wel een baan aanbieden,

maar de reisafstand was iets te groot.

Toch heeft hij me enorm geholpen,

door met me mee te denken

en me op weg te helpen in de wereld van de ict,

die voor mij totaal vreemd was,

en voor hem juist geen geheimen kende.

 

Waar een beetje netwerken al niet toe kan leiden:

inmiddels ben ik aardig ingeburgerd in de ict-wereld.

Vandaag gaan we verder met de 1e brief van Petrus,

en daar komen we zo tegen dat christenen ‘priesters’ zijn.

Misschien heb je daar allerlei associaties mee,

van kleurrijke gewaden tot bloederige offers,

maar naar vandaag gehaald zou je een priester ook als een netwerker kunnen zien.

Iemand die mensen met elkaar verbind.

Of, in dit geval, iemand die God en de wereld aan elkaar verbind.

Thema vandaag is: Gods netwerkers.

We lezen 1 Petrus 1:22-2:10.

 

1.    Rare jongens…

Vorige week zijn we begonnen met het lezen van deze brief.

Toen ging het erover dat christenen rare jongens zijn, of meisjes:

Petrus noemt hen vreemdelingen.

De christenen aan wie Petrus schrijft

wonen verspreid door wat tegenwoordig Turkije heet.

Ze waren daar geboren en getogen, zeg maar echte Turken,

maar toen ze christen werden,

plaatsten ze zichzelf buiten de samenleving.

Voortaan hadden ze dezelfde status als veel vreemdelingen vandaag ook hebben:

ze wonen er wel, maar tellen niet echt mee.

Alsof ze tweederangs burgers zijn geworden.

 

Zo keek de buitenwereld naar die christenen:

als vreemdelingen in hun eigen land.

Ze horen er niet meer bij, tellen niet langer als echte Turk.

Daarmee waren ze ook hun identiteit kwijt

die toen, veel meer dan vandaag,

werd bepaald door de groep waar je bij hoorde.

Er niet meer bij horen was dus het ergste wat je kon overkomen.

 

Vandaag gaat Petrus verder:

ze zijn vreemdelingen, maar dat is niet het hele verhaal!

Dat is hoe de buitenwereld naar hen kijkt,

maar God kijkt heel anders!

Als God kijkt naar die christenen in Turkije,

maar ook als God kijkt naar de kerk van vandaag,

dan ziet hij niet een stel uitgerangeerde rare snuiters:

God ziet iets heel anders.

Daarover gaat het stukje brief dat we net gelezen hebben.

 

2.    Gods netwerkers

Wat ziet God dan?

‘U bent een uitverkoren geslacht, een koninkrijk van priesters, een heilige natie,

een volk dat God zich verworven heeft.’

De grote woorden buitelen over elkaar heen.

Voor God zijn christenen geen rare gekkies:

ze zijn volk van God, een nieuwe familie,

niet afgewezen, maar juist waardevol en gekozen.

Dat is de nieuwe identiteit die God christenen geeft:

je bent dan wel vreemdeling in je eigen land,

maar ook thuis in God volk, in de familie van Jezus, in het nieuwe Israël –

want zonder blikken of blozen citeert Petrus de ene na de andere tekst uit het OT,

teksten die altijd aan Israël waren voorbehouden,

en past ze toe op iedereen die Jezus heeft leren kennen.

 

Volk van God, dat ben je natuurlijk niet in je eentje.

Het is precies zoals in dat liedje dat we zongen:

‘een voor een, steen voor steen,

niet alleen, maar samen vormen zij een huis.’

En niet zomaar een huis: Petrus heeft het over een ‘geestelijke tempel’.

Samen zijn christenen een tempel, een plek waar God wil wonen,

en dan gaat het dus niet om de stenen, maar om de mensen:

waar christenen samen Jezus aanbidden, dáár woont God.

De kerk is geen gebouw, maar een familie.

 

Die nieuwe identiteit die je als christen krijgt,

is dus niet iets tussen jou en God.

Je krijgt er direct een lading broers en zussen bij,

waarvan Petrus zegt: ‘daar kun je nu oprecht van gaan houden.’

Dát is wat kerk is.

Voor geloofsinhoud heb je de kerk nog niet perse nodig:

dat kun je op andere plekken ook wel halen.

Maar de kerk is de plek om te oefenen

met dat eenvoudige, maar o zo moeilijke gebod:

‘heb elkaar onvoorwaardelijk lief, met een zuiver hart.’

En ik weet ook dat er heel goede redenen kunnen zijn

om zonder kerk christen te zijn – want wat valt die kerk vaak tegen.

Maar christen ben je niet in je eentje:

bij je relatie met Jezus, krijg je er een familie bij.

 

Nu kan zo’n familie behoorlijk in zichzelf gekeerd raken,

al helemaal als de rest van de wereld ze maar rare snuiters vind.

‘Laat ze maar praten:

het gaat niet om wat mensen vinden, maar om wat God vindt.’

Maar die nieuwe identiteit die we van God krijgen,

die is juist op de rest van de wereld gericht!

Petrus noemt christenen een ‘koninkrijk van priesters, (…)

een volk dat God zich heeft verworven om de grote daden te verkondigen

van hem die u uit de duisternis heeft geroepen naar zijn wonderbaarlijke licht.’

Dat je deel bent van de familie waar God woont,

dat is niet bedoeld als een veilig plekje buiten de boze wereld,

als een warm bad waar je je even met gelijkgestemden omringt.

De bedoeling is juist dat christenen priesters zijn:

een verbindende schakel, netwerkers, tussen God en de wereld.

Sterker nog: dat is volgens Petrus het bestaansrecht van de kerk.

 

Nog even over die priesters.

Ik zei al: daar kun je allerlei associaties mee hebben.

In de bijbel is een priester een tussenpersoon, tussen God en mensen.

Hij brengt God naar de mensen, door namens God te zegenen,

en brengt mensen naar God, door namens mensen te bidden en offeren.

Maar hier, en in Exodus 19 – de tekst die Petrus aanhaalt,

gaat het om een heel volk van priesters:

het is de bedoeling dat Gods volk, die familie,

een schakel is tussen God en de rest van de wereld.

 

En dat gaat dus 2 kanten op.

Aan de ene kant betekent het dat we als kerk

God naar de mensen brengen.

Door zegenend aanwezig te zijn,

door zonder oordelen naar mensen te luisteren,

door lief te hebben en te dienen,

maar ook door te getuigen van Jezus en het leven met hem.

De andere kant is dat we als kerk

ook de wereld naar God mogen brengen:

dat we namens de wereld God danken en bidden,

niet alleen de dingen die ons persoonlijk bezig houden bij God brengen,

maar ook wat speelt in de wereld,

in de grote wereld, maar ook in het leven van je buren.

 

Ik realiseer me dat dit allemaal wel heel perfect kan klinken.

De kerk als een familie om onvoorwaardelijk van elkaar te houden,

een volk door God hoogstpersoonlijk uitgekozen

om netwerkers te zijn, een schakel tussen God en de wereld.

Is zo’n hoog ideaal niet een recept voor teleurstelling?

 

Om te beginnen denk ik: ja, de kerk valt vaak tegen,

maar dat is geen reden het hoge ideaal maar niet te noemen.

Van weten wie je bent, van weten hoe je door God bedoeld bent,

kan een enorme kracht uitgaan!

Net als andersom: als je altijd hebt gehoord dat je niets waard bent,

dan ga je dat vanzelf geloven en je ernaar gedragen.

Maar als je hoort wat God, door de mond van Petrus heen,

over ons zegt: dan ga je dat ook geloven, en je er steeds meer naar gedragen.

 

Maar nog belangrijker: het begint bij Jezus.

Jezus is dé steen en dé priester –

zonder Jezus zouden wij dat nooit zijn.

En zouden we er net zo hard in mislukken

als je Israël in het hele Oude Testament ziet doen.

Het gaat er niet om dat wíj zo goed zijn – maar om dat God goed voor ons is.

Dát maakt ons een familie, volk van God,

dat maakt ons levende stenen en een koninkrijk van priesters,

een verbindende schakel tussen God en de wereld.

En als je dat vergeet,

dan kun je de rest van deze preek net zo goed ook vergeten,

want dan heb je er helemaal niets aan.

De enige manier om die nieuwe identiteit die God geeft te omarmen,

is dicht bij Jezus blijven.

Zoals Petrus zegt: ‘verlang als pasgeboren zuigelingen

naar de zuivere melk van het woord,’

en ‘voeg u bij hem, bij de levende steen die door mensen werd afgekeurd.’

De kerk is niet ons project – maar van Jezus!

 

3.    De wereld bij God brengen

In de wereld ben je als christen misschien een rare,

maar God kijkt heel anders: God ziet een nieuwe familie,

netwerkers die een schakel zijn tussen hem en de wereld.

 

De oproep God de wereld in te brengen,

naar buiten te gaan met Gods liefde, te dienen

en misschien ook te vertellen waarom Jezus het beste is dat je is overkomen,

die oproep klinkt wel vaker.

Ik wil je vandaag juist eens uitnodigen voor die andere kant:

de wereld bij God brengen.

En daarmee bedoel ik dus niet mensen naar Jezus leiden,

maar wat je ziet in de wereld, dichtbij en ver weg,

dat je dat namens die wereld, ook al vraagt die wereld je er niet om,

bij God brengt.

Dan ga je direct anders naar die wereld kijken:

in plaats van het allemaal lekker langs je heen laten gaan,

sta je dan betrokken in de wereld.

Kijk zo om je heen:

wat kom jij in de wereld tegen dat je bij God wilt brengen?

Amen.