Preek - Daniël 1 - KAN GOD HET MUSEUM IN?

Inleiding: het museum

Wie komt er wel eens in een museum?

Misschien met school, met familie of vrienden: wie?

Ik kom best vaak in een museum, wij hebben zo’n museumjaarkaart,

dus ik kan nog wel wat goede tips gebruiken.

Wat is het leukste museum waar je geweest bent? Wie helpt mij?

 

Weet je, eigenlijk zijn we nu ook in een soort museum, vind je niet?

Deze kerk is echt superoud – iemand een idee hoe oud ongeveer?

Het oudste stuk van deze kerk is ongeveer 800 jaar oud.

Ik vind dat echt wel bijzonder: wij hebben vandaag een kerkdienst

op een plek waar al 800 jaar kerkdiensten worden gehouden.

Hier wordt je opgenomen in een lange geschiedenis.

 

Eigenlijk is het niet helemaal waar dat hier al 800 jaar kerkdiensten zijn.

Want de meeste zondagen staat dit kerkgebouw leeg.

Het is wel een beetje een kerkgebouw van vroeger, een soort museum.

En als je even om je heen kijkt: er passen nog veel meer mensen in.

Maar ja, er zijn gewoon niet zoveel mensen meer die naar een kerk gaan.

Dit gebouw staat wat mij betreft symbool

voor dat de kerk voor de meeste mensen een soort museum is geworden:

interessant om te zien hoe het vroeger ging – maar wel een beetje achterhaald.

Ik bedoel, wie gelooft er nu nog in een God?!

 

Daar gaat het bijbelverhaal van vandaag over.

Het gaat over een koning die vind dat God verleden tijd is,

en over 4 dappere jongens, van een jaar of 14,

die ondanks alles blijven vasthouden aan God.

Kan God het museum in? We lezen het in Daniël 1.

 

Kan God het Museum in?

Kan God het museum in?

Voor Nebukadnessar is dat geen vraag: natuurlijk!

Misschien heb je nog nooit van Nebukadnessar gehoord,

maar rond het jaar 600 voor Christus was hij de machtigste man op aarde.

Hij was de baas van het grootste wereldrijk: Babylon.

Vanuit wat nu Irak is, heeft hij al heel wat volken overwonnen,

en nu is Israël aan de beurt.

Nebukadnessar valt Jeruzalem aan, en -verrassing!- hij wint.

Hij rooft alle waardevolle spullen uit de tempel,

om ze in de koninklijke schakamers op te slaan.

Nebukadnessar zet God bij in het museum: God is van vroeger.

 

Daar laat Nebukadnessar het niet bij.

De leiders en toekomstige leiders van Israël laat hij afvoeren naar Babylonië,

en zo belanden Daniël en zijn vrienden aan het hof van de koning.

Zij krijgen een heropvoedingstraject, worden gebrainwashed,

zodat ze echte Babyloniërs worden.

Alles is erop gericht hen te laten vergeten wie ze waren,

en vooral om God te vergeten – want die is een museumstuk geworden.

Daarom krijgen ze nieuwe namen.

‘Daniël’ betekent: ‘Gód is mijn rechter’ – maar dat was vroeger.

Het wordt ‘Beltesassar’, vernoemd naar de Babylonische god Bel,

een naam waar je in Babylon trots op mag zijn!

Ze worden gedrild in de Babylonische literatuur en wetenschap,

kijken hun ogen uit als ze op excursie gaan naar de Hangende Tuinen,

één van de zeven wereldwonderen,

en leren: dit is de toekomst – vergeet God maar.

 

Eigenlijk lijkt Babylon wel op Nederland.

Wij leven in een wereld die God al lang in het museum heeft gezet

en die hard zijn best doet ook jou zo ver te krijgen -

dat jij geloven in God ziet als iets raars van vroeger.

 

Maar Daniël niet!

Zijn geloof verandert – dat kan ook niet anders.

Hij kan niet meer naar de tempel,

de plek waar alles gebeurde wat met zijn geloof te maken had.

Alle vanzelfsprekendheden, alle vormen en rituelen, ze zijn weg.

Maar Daniël zoekt nieuwe manieren om te geloven,

midden in die wereld die God in het museum heeft gezet.

 

En dat doet Daniël heel knap!

Aan de ene kant wórdt hij een Babyloniër.

Hij stort zich helemaal op zijn inburgeringstraject.

Als hij 5 tabletten in spijkerschrift moet vertalen, dan doet hij er 10.

Niemand kan commentaar hebben op Daniëls inzet:

hij zet alles op alles om een goede, nee, een excellente, Babyloniër te worden.

Dit is zijn nieuwe wereld – en Daniël gáát ervoor.

Aan de andere kant houdt hij vast aan God.

Daniël weet dat hij niet overal een punt van kan maken.

Zijn nieuwe naam accepteert hij gelaten,

al blijft hij voor zijn vrienden gewoon Daniël.

Als hij in zijn klasje leert dat de aarde is ontstaan

door een ruzie tussen de goden die gewonnen is door Marduk,

steekt hij niet zijn vinger om te zeggen dat het volgens hem anders is gegaan.

Choose your battles heet dat, kies waar je een punt van wilt maken.

Dat punt maakt hij bij het eten.

eten is voor Daniël iets waarin hij kan vasthouden aan God,

en waardoor hij er elke dag weer aan herinnerd wordt dat hij anders is.

 

Hoe kun je geloven in God in een wereld die God in het museum heeft gezet?

Van Daniël kun je 2 dingen leren.

Aan de ene kant: gééf je aan de plek waar je bent.

Trek je niet terug op een veilig christelijk eilandje,

waar je nostalgische verhalen van vroeger ophaalt,

klamp je niet vast aan hoe het was,

bijvoorbeeld vroeger als kerk in het Pascal College,

maar wees een goede inwoner van de stad, doe je best voor de samenleving.

En tegelijk leert Daniël je: kies ervoor dingen anders te doen

zodat je niet helemaal opgaat in deze wereld.

Voor Daniël is eten zo’n keuze.

Ik denk dat het per persoon verschilt wat het is,

maar dat het belangrijk is momenten te creëren

dat je beseft dat je als christen anders bent.

Voor mij is dat bijvoorbeeld dat ik de zondag bewaak als vrije dag:

op zondag ga ik niet shoppen en doe ik geen werk,

behalve kerkdiensten natuurlijk.

Dat doe ik niet omdat God dat nodig heeft,

maar omdat het mij helpt te beseffen dat ik anders ben.

Het kunnen heel andere dingen zijn.

Bijvoorbeeld dat je de tijd in de file gebruikt om preken te luisteren.

Of dat je altijd even stilte vraagt voor een maaltijd, zodat je kunt bidden.

Hoe je het ook doet: creëer momenten voor God.

 

Maar waarom zou je?

Is het geen uitstel van de onvermijdelijke conclusie dat God het museum in kan?

Daniël ontdekt wat anders: hij ontdekt dat God overal God is,

niet alleen in Israël, niet alleen in een vertrouwde christelijke wereld,

dat God veel groter is dan vormen die zo belangrijk waren -

en wat ben ik daar blij mee!

Sterker nog: achter die hele ballingschap zat Gód!

Soms is het helemaal niet verkeerd

als al je vanzelfsprekendheden onderuit gehaald worden,

om dan te ontdekken dat God groter is.

 

In allerlei kleine dingen ontdekt Daniël dat God er wel degelijk bij is.

In vrienden die hem steunen.

In vriendelijke Babyloniërs die meedenken en ruimte geven.

In dat hij als beste van het klasje afstudeert met z’n rare dieet.

Overal ziet Daniël knipoogjes van God.

Of de Babyloniërs dat ook zien? Nee, niet direct.

Maar ze zien wel dat Daniël en zijn vrienden een positief verschil maken.

En wat is het mooi als dat ook aan christenen te zien is:

dat ze een positief verschil maken,

omdat God hen gebruikt als kanaal van zijn zegen.

 

Trouwens, nog even over musea.

Nebukadnessar probeerde God bij te zetten in het museum,

maar dat is hem dus mooi niet gelukt.

Maar ik was eens in het British Museum, in Londen.

Zoals Nebukadnessar de tempelschatten roofde,

zo hebben de Britten ook heel waardevolle voorwerpen geroofd.

Je voelt hem misschien al aankomen:

half Babylonië wordt daar tentoongesteld.

Nebukadnessar is zelf bijgezet in het museum,

terwijl er altijd mensen zijn geweest die, tegen de stroom in,

zijn blijven geloven in God.

 

Afsluiting: knipoogjes

Tijd om af te sluiten.

Wat Daniël helpt om te blijven gaan voor God,

zijn de knipoogjes die hij van God krijgt.

En ik geloof dat die er vandaag net zo goed zijn.

Wat ik zo graag zou willen, is dat we dat met elkaar delen.

Voor wie vorige week ook in Menorah was, val ik wat in herhaling,

maar ik vind het belangrijk genoeg om te herhalen:

waarin ervaar jij dat God erbij is, waar zie jij knipoogjes van hem?

Ik wil je uitdagen om dat, misschien zo bij de koffie, met elkaar te delen.

Want God is veel te groot om in het museum te zetten.

Amen.

Daniël 1 - KAN GOD HET MUSEUM IN?

Inleiding: het museum

Wie komt er wel eens in een museum?

Misschien met school, met familie of vrienden: wie?

Ik kom best vaak in een museum, wij hebben zo’n museumjaarkaart,

dus ik kan nog wel wat goede tips gebruiken.

Wat is het leukste museum waar je geweest bent? Wie helpt mij?

 

Weet je, eigenlijk zijn we nu ook in een soort museum, vind je niet?

Deze kerk is echt superoud – iemand een idee hoe oud ongeveer?

Het oudste stuk van deze kerk is ongeveer 800 jaar oud.

Ik vind dat echt wel bijzonder: wij hebben vandaag een kerkdienst

op een plek waar al 800 jaar kerkdiensten worden gehouden.

Hier wordt je opgenomen in een lange geschiedenis.

 

Eigenlijk is het niet helemaal waar dat hier al 800 jaar kerkdiensten zijn.

Want de meeste zondagen staat dit kerkgebouw leeg.

Het is wel een beetje een kerkgebouw van vroeger, een soort museum.

En als je even om je heen kijkt: er passen nog veel meer mensen in.

Maar ja, er zijn gewoon niet zoveel mensen meer die naar een kerk gaan.

Dit gebouw staat wat mij betreft symbool

voor dat de kerk voor de meeste mensen een soort museum is geworden:

interessant om te zien hoe het vroeger ging – maar wel een beetje achterhaald.

Ik bedoel, wie gelooft er nu nog in een God?!

 

Daar gaat het bijbelverhaal van vandaag over.

Het gaat over een koning die vind dat God verleden tijd is,

en over 4 dappere jongens, van een jaar of 14,

die ondanks alles blijven vasthouden aan God.

Kan God het museum in? We lezen het in Daniël 1.

 

Kan God het Museum in?

Kan God het museum in?

Voor Nebukadnessar is dat geen vraag: natuurlijk!

Misschien heb je nog nooit van Nebukadnessar gehoord,

maar rond het jaar 600 voor Christus was hij de machtigste man op aarde.

Hij was de baas van het grootste wereldrijk: Babylon.

Vanuit wat nu Irak is, heeft hij al heel wat volken overwonnen,

en nu is Israël aan de beurt.

Nebukadnessar valt Jeruzalem aan, en -verrassing!- hij wint.

Hij rooft alle waardevolle spullen uit de tempel,

om ze in de koninklijke schakamers op te slaan.

Nebukadnessar zet God bij in het museum: God is van vroeger.

 

Daar laat Nebukadnessar het niet bij.

De leiders en toekomstige leiders van Israël laat hij afvoeren naar Babylonië,

en zo belanden Daniël en zijn vrienden aan het hof van de koning.

Zij krijgen een heropvoedingstraject, worden gebrainwashed,

zodat ze echte Babyloniërs worden.

Alles is erop gericht hen te laten vergeten wie ze waren,

en vooral om God te vergeten – want die is een museumstuk geworden.

Daarom krijgen ze nieuwe namen.

‘Daniël’ betekent: ‘Gód is mijn rechter’ – maar dat was vroeger.

Het wordt ‘Beltesassar’, vernoemd naar de Babylonische god Bel,

een naam waar je in Babylon trots op mag zijn!

Ze worden gedrild in de Babylonische literatuur en wetenschap,

kijken hun ogen uit als ze op excursie gaan naar de Hangende Tuinen,

één van de zeven wereldwonderen,

en leren: dit is de toekomst – vergeet God maar.

 

Eigenlijk lijkt Babylon wel op Nederland.

Wij leven in een wereld die God al lang in het museum heeft gezet

en die hard zijn best doet ook jou zo ver te krijgen -

dat jij geloven in God ziet als iets raars van vroeger.

 

Maar Daniël niet!

Zijn geloof verandert – dat kan ook niet anders.

Hij kan niet meer naar de tempel,

de plek waar alles gebeurde wat met zijn geloof te maken had.

Alle vanzelfsprekendheden, alle vormen en rituelen, ze zijn weg.

Maar Daniël zoekt nieuwe manieren om te geloven,

midden in die wereld die God in het museum heeft gezet.

 

En dat doet Daniël heel knap!

Aan de ene kant wórdt hij een Babyloniër.

Hij stort zich helemaal op zijn inburgeringstraject.

Als hij 5 tabletten in spijkerschrift moet vertalen, dan doet hij er 10.

Niemand kan commentaar hebben op Daniëls inzet:

hij zet alles op alles om een goede, nee, een excellente, Babyloniër te worden.

Dit is zijn nieuwe wereld – en Daniël gáát ervoor.

Aan de andere kant houdt hij vast aan God.

Daniël weet dat hij niet overal een punt van kan maken.

Zijn nieuwe naam accepteert hij gelaten,

al blijft hij voor zijn vrienden gewoon Daniël.

Als hij in zijn klasje leert dat de aarde is ontstaan

door een ruzie tussen de goden die gewonnen is door Marduk,

steekt hij niet zijn vinger om te zeggen dat het volgens hem anders is gegaan.

Choose your battles heet dat, kies waar je een punt van wilt maken.

Dat punt maakt hij bij het eten.

eten is voor Daniël iets waarin hij kan vasthouden aan God,

en waardoor hij er elke dag weer aan herinnerd wordt dat hij anders is.

 

Hoe kun je geloven in God in een wereld die God in het museum heeft gezet?

Van Daniël kun je 2 dingen leren.

Aan de ene kant: gééf je aan de plek waar je bent.

Trek je niet terug op een veilig christelijk eilandje,

waar je nostalgische verhalen van vroeger ophaalt,

klamp je niet vast aan hoe het was,

bijvoorbeeld vroeger als kerk in het Pascal College,

maar wees een goede inwoner van de stad, doe je best voor de samenleving.

En tegelijk leert Daniël je: kies ervoor dingen anders te doen

zodat je niet helemaal opgaat in deze wereld.

Voor Daniël is eten zo’n keuze.

Ik denk dat het per persoon verschilt wat het is,

maar dat het belangrijk is momenten te creëren

dat je beseft dat je als christen anders bent.

Voor mij is dat bijvoorbeeld dat ik de zondag bewaak als vrije dag:

op zondag ga ik niet shoppen en doe ik geen werk,

behalve kerkdiensten natuurlijk.

Dat doe ik niet omdat God dat nodig heeft,

maar omdat het mij helpt te beseffen dat ik anders ben.

Het kunnen heel andere dingen zijn.

Bijvoorbeeld dat je de tijd in de file gebruikt om preken te luisteren.

Of dat je altijd even stilte vraagt voor een maaltijd, zodat je kunt bidden.

Hoe je het ook doet: creëer momenten voor God.

 

Maar waarom zou je?

Is het geen uitstel van de onvermijdelijke conclusie dat God het museum in kan?

Daniël ontdekt wat anders: hij ontdekt dat God overal God is,

niet alleen in Israël, niet alleen in een vertrouwde christelijke wereld,

dat God veel groter is dan vormen die zo belangrijk waren -

en wat ben ik daar blij mee!

Sterker nog: achter die hele ballingschap zat Gód!

Soms is het helemaal niet verkeerd

als al je vanzelfsprekendheden onderuit gehaald worden,

om dan te ontdekken dat God groter is.

 

In allerlei kleine dingen ontdekt Daniël dat God er wel degelijk bij is.

In vrienden die hem steunen.

In vriendelijke Babyloniërs die meedenken en ruimte geven.

In dat hij als beste van het klasje afstudeert met z’n rare dieet.

Overal ziet Daniël knipoogjes van God.

Of de Babyloniërs dat ook zien? Nee, niet direct.

Maar ze zien wel dat Daniël en zijn vrienden een positief verschil maken.

En wat is het mooi als dat ook aan christenen te zien is:

dat ze een positief verschil maken,

omdat God hen gebruikt als kanaal van zijn zegen.

 

Trouwens, nog even over musea.

Nebukadnessar probeerde God bij te zetten in het museum,

maar dat is hem dus mooi niet gelukt.

Maar ik was eens in het British Museum, in Londen.

Zoals Nebukadnessar de tempelschatten roofde,

zo hebben de Britten ook heel waardevolle voorwerpen geroofd.

Je voelt hem misschien al aankomen:

half Babylonië wordt daar tentoongesteld.

Nebukadnessar is zelf bijgezet in het museum,

terwijl er altijd mensen zijn geweest die, tegen de stroom in,

zijn blijven geloven in God.

 

Afsluiting: knipoogjes

Tijd om af te sluiten.

Wat Daniël helpt om te blijven gaan voor God,

zijn de knipoogjes die hij van God krijgt.

En ik geloof dat die er vandaag net zo goed zijn.

Wat ik zo graag zou willen, is dat we dat met elkaar delen.

Voor wie vorige week ook in Menorah was, val ik wat in herhaling,

maar ik vind het belangrijk genoeg om te herhalen:

waarin ervaar jij dat God erbij is, waar zie jij knipoogjes van hem?

Ik wil je uitdagen om dat, misschien zo bij de koffie, met elkaar te delen.

Want God is veel te groot om in het museum te zetten.

Amen.