Preek - Handelingen 18 - MEEDOEN MET GOD

Inleiding

Drie weken geleden zaten we als Menorah buiten, in het Jagersveld.

Behalve dat we heerlijk in het zonnetje hebben gezeten,

hebben we er ook mooie gesprekken gehad.

Onder andere over wat je voor Menorah verlangt.

 

Je zou zeggen: laten we die verlangens op een rijtje zetten, en… actie!

Want je kunt wel blijven dromen,

maar als je iets wilt, moet je daar gewoon de schouders onder zetten.

Als we het echt goed willen doen,

huren we een of ander duur bureau in

dat ons helpt om SMART en Lean en Agile te werken.

Ik heb ook geen idee wat dat is,

maar daarom huren we er ook een bureau voor in.

Nee, ik draaf een beetje door,

maar er zijn natuurlijk bewezen methoden

die je helpen verlangens in resultaat om te zetten.

 

Maar zitten we daar echt op te wachten?

Een kerk die zichzelf altijd maar moet verbeteren?

Een kerk van actiepunten?

Ik wordt daar eigenlijk ook wel heel moe van.

Deze zomer las ik in een artikel een verlangen voor de kerk

waar ik níet moe van wordt:

dat de kerk een plek is waar iets gebeurt omdat God er is.

Een kerk waar het niet afhangt

van een steengoede preek, een nog betere band,

en werkelijk sublieme koffie na de dienst,

waarmee we dan massa’s mensen trekken –

maar een kerk waar we met volle inzet aanmodderen,

en er dan getuige van mogen zijn dat God aan het werk is.

Zo’n kerk – daar verlang ik naar!

Een kerk waar het niet afhangt van onze actiepunten,

maar waar we mogen meedoen met God.

 

Dat is wat Paulus ervaart in het bijbelverhaal van vandaag:

hij hoeft het niet allemaal zelf te doen,

maar mag meedoen met wat Gód doet.

Laten we lezen: Handelingen 18:1-22.

 

1.    ‘En weer door’

We volgen vandaag nog één keer Paulus op zijn eerste reis door Europa.

Het begon allemaal in Troas, in het noordwesten van Turkije,

waar Paulus na maanden van rondzwerven een visioen kreeg:

‘kom over naar Europa!’

Paulus en zijn vrienden, Timoteüs, Silas en Lucas,

reisden mee met het eerste schip dat ze konden vinden,

en zo belandden ze in Filippi,

in de streek Macedonië, in het noordoosten van Griekenland.

Vandaar ging het door naar Tessalonica en Berea, ook in Macedonië,

door naar Athene, zo’n 500 kilometer zuidelijker,

en vandaag dus naar Korinthe.

 

Dat klinkt misschien als een heel lange reis,

zeker voor een tijd waarin reizen wat meer tijd kostte,

maar in werkelijk zijn er hooguit een paar maanden verstreken

sinds Paulus voet op het Europese vasteland zette.

Hij lijkt wel een campertoerist:

ze blijven hooguit 3 dagen op dezelfde plek,

en daarnaar trekken ze weer verder.

Ideaal als je in korte tijd zo veel mogelijk hoogtepunten wilt zien,

maar daar was Paulus niet voor gekomen.

 

Het is dan ook niet uit vrije wil dat Paulus overal zo kort blijft.

Maar overal waar Paulus komt en over Jezus begint

ontstaat in mum van tijd gedoe.

En het einde van het liedje is steeds hetzelfde:

Paulus is niet langer welkom,

en hij gaat weer door, naar een volgende stad,

waar hij bij voorbaat al weet dat de vraag niet is

óf hij zal worden weggestuurd, maar wanneer.

Steeds gaat Paulus door, met een bewonderenswaardige veerkracht:

Paulus lijkt onvermoeibaar.

 

2.    Meedoen met God

Voor we verder het verhaal in duiken,

lijkt het me goed even stil te staan bij waarom Paulus steeds maar door gaat.

Waarom denk hij niet:

‘hier zit niemand op Jezus te wachten,

dus ik kan beter mijn mond maar even houden’?

Zeg maar zoals Nederlandse christenen dat doen.

Volgens mij hebben we als Nederlandse christenen

vaak gewoon geaccepteerd dat geloven

slechts een manier is om in het leven te staan –

en dat je elkaar vooral vrij moet laten.

Ik sprak laatst iemand die geloven best iets vond hebben,

zolang het maar niet exclusief wordt:

dat ík er veel aan heb, betekent nog niet dat jij ook moet gaan geloven.

Ik ben Nederlander genoeg om dat argument helemaal te begrijpen.

 

Maar Paulus niet!

Paulus heeft een enorme drive om overal het evangelie van Jezus uit te dragen,

of mensen er nu op zitten te wachten of niet.

Die boodschap is hem zoveel waard, dat hij er alles voor overheeft.

Al riskeert hij zijn leven, hij zal zijn mond niet houden.

Zó belangrijk vindt hij het dat iedereen hoort

dat Jezus, de Zoon van God, is gekruisigd en opgestaan uit de dood.

Dat is geen privézaak: de pretentie van Paulus is veel en veel groter!

Iedereen moet weten wie Jezus is en wat hij heeft gedaan –

want dat heeft Jezus ook voor jou gedaan.

Geloven is niet iets wat voor mij werkt, maar voor een ander niet:

geloven gaat over de God die elk mens gemaakt heeft,

die ieder mens zoekt met zijn liefde en wacht op jouw antwoord.

Daar geeft Paulus zich helemaal voor.

 

Maar in Korinte zien we een andere Paulus.

Nee, hij houdt zijn mond niet, maar Paulus is moe en bang.

Jaren later schrijft hij in een brief naar de kerk die in Korinte is ontstaan,

1 Korintiërs 2: ‘ik kwam bij u in al mijn zwakheid, ik was angstig en onzeker.’

De reis door Europa, het steeds weer moeten vertrekken,

altijd maar weer dat gedoe zodra hij over Jezus begint,

het lijkt Paulus nu toch op te breken.

En ik ben blij dat we ook deze Paulus te zien krijgen!

Dat zelfs Paulus, met zijn enorme drive en veerkracht,

nu tegen een burn-out aan zit.

Paulus is ook maar een mens!

 

Hij weet heel goed dat niemand op zijn verhaal zit te wachten.

Dat schrijft hij later ook, in diezelfde brief, 1 Korintiërs 1:

‘de Joden vragen om wonderen en de Grieken zoeken wijsheid,

maar wij verkondigen een gekruisigde Christus,

voor Joden aanstootgevend en voor heidenen dwaas.’

Alsof Paulus een product aan de man brengt dat niemand wil.

Je kunt nog beter op de markt op de Rozengracht proberen levertraan te verkopen:

het is smerig (ik ben gelukkig jong genoeg om dat niet uit eigen ervaring te weten)

en er zijn betere manieren om aan je vitamientjes te komen.

Zo heeft Paulus een onmogelijke boodschap,

niet alleen voor Joden en Grieken, maar ook voor Nederlanders.

Want die boodschap van Jezus, de boodschap van het kruis,

is dat de ander boven jou gaat.

Jezus vind jou belangrijker dan zijn eigen leven,

maar dat betekent ook dat je niet meer leeft voor je eigen geluk,

maar dat geluk te vinden is in je geven voor anderen.

Probeer dat maar eens te verkopen…

 

Paulus maar voelt het weer mis gaan.

In de synagoge is Paulus al niet langer welkom.

Crispus, een leider van die synagoge, is overgelopen naar Paulus.

Normaal zou Paulus daar diep dankbaar voor zijn,

maar hij weet ook dat er gedoe van komt.

Het is een kwestie van tijd, en dan wordt hij weer weggestuurd.

Het verlamt hem.

 

Zoals we als christenen in Nederland, en ook als Menorah, verlamd kunnen zijn.

We willen echt wel de boodschap van Jezus delen,

-we geloven dat dat geen levertraan is, maar goed nieuws voor iedereen!-

maar we hebben al zoveel geprobeerd,

en het is zo frustrerend als er dan weinig uitkomt.

Dus durven we nauwelijks nog wéér missionair te worden.

Dus nodigen we niemand meer uit voor onze diensten,

en zitten we volgende week met een klein groepje in de veel te grote Oostzijderkerk,

want het heeft allemaal toch geen zin…

Dát is een verlamde kerk,

en ik wil je vragen niet verlamd te raken,

en juist wel mensen mee te nemen naar de kerk,

want het verhaal van Paulus gaat verder!

 

Als Paulus het allemaal niet meer ziet zitten en bang is,

krijgt hij een visioen, waarin hij door God bemoedigt wordt.

En wat ik zo mooi vindt in dat visioen,

is dat alle dingen die God erin belooft,

ook in dit hoofdstuk al zichtbaar worden.

Het zijn er drie, ik loop ze met jullie langs.

 

Belofte 1: ‘ik sta je bij’, oftewel: Paulus is niet alleen, want God is erbij.

Daarmee hebben we direct de kern van alle beloftes te pakken:

Gods koninkrijk hangt niet van mij af, maar van God!

En dat is niet alleen theorie: Paulus ziet het ook in de praktijk.

Eén van die plaatsen waar Paulus te vroeg moest vertrekken, is Tessalonica.

Paulus denkt regelmatig aan hen terug:

hij had ze graag zoveel meer over Jezus willen vertellen –

gaat het wel goed met ze?

In Korinte krijgt hij antwoord: Timoteüs en Silas waren achtergebleven in Tessalonica,

maar voegen zich nu weer bij Paulus,

en nemen mooie berichten en een flinke gift voor Paulus mee uit Tessalonica.

Paulus heeft er bijna niets kunnen doen, maar God is verder gegaan!

Dankbaar schrijft Paulus de Tessalonicenzen een brief.

 

Belofte 2: ‘niemand zal een vinger naar je uitsteken’.

Dat is precies waar Paulus bang voor is:

dat hij weer gedwongen wordt te vertrekken.

Maar in Korinte gaat het anders.

De Joden proberen het wel, ze slepen Paulus weer voor de rechtbank,

maar ze vangen bot bij Gallio, de Romeinse proconsul.

Ze hadden het zo slim bedacht:

volgens hen verkondigt Paulus een nieuwe religie,

en dat is in het Romeinse rijk verboden.

Maar Gallio wil daar niets van weten:

de godsdienst van Paulus is volgens hem gewoon een variant op de Joodse,

en hij heeft betere dingen te doen

dan zich met interne godsdienstgeschillen bezig te houden.

Daarmee geeft hij een juridische basis

aan dat het christelijk geloof er in het Romeinse rijk mag zijn!

En wat heerlijk voor Paulus: eindelijk kan hij blijven, kan hij wortelen.

Hij blijft in Korinte, anderhalf jaar.

 

Belofte 3: ‘veel mensen in deze stad behoren mij toe.’

Daarbij laat God zich echt niet tegenhouden

door dat mensen nog niet op hem zitten te wachten!

Wij kunnen wel denken dat het evangelie in Nederland weinig toekomst heeft,

maar vergeet nooit dat Christus aan het werk is!

Een prachtig voorbeeld hiervan is Sosthenes.

Toen Crispus van de synagoge naar Paulus overliep,

werd hij opgevolgd door ene Sosthenes.

Sosthenes is het brein achter de rechtszaak tegen Paulus.

Maar als de rechtszaak verloren is, keert het zich tegen hem:

ze zijn nu nog verder van huis.

Sosthenes wordt in elkaar getrapt.

Of dit het omslagpunt in zijn leven is, dat weten we niet,

maar wel dat hij later christen is geworden:

Paulus noemt hem later in zijn brief aan de Korintiërs.

Soms zou je van iemand nooit verwachten dat die nog eens christen wordt,

maar als God mensen op het oog heeft, gebeurt het!

 

Natuurlijk kun je die beloften niet 1 op 1 naar onze situatie doorzetten.

Ik weet niet wat Gods plan voor Zaanstad is.

Wat ik wel weet is dat we dezelfde God hebben als Paulus,

en dat deze God veel vaker belooft dat hij erbij is.

Als wij het goede nieuws van Jezus uitdragen,

als wij bouwen aan de kerk, aan de familie van Jezus, dan is God erbij!

Dan zijn we onderdeel van iets groters, van Gods plan met mensen,

van zijn wereldwijde beweging van liefde.

Gód is bezig, en dan gebeurt er iets, en in dat werk mogen wij meedoen.

 

3.    Zie jij God bezig?

Ik verlang naar zo’n kerk, waar we ons niet verliezen in actiepunten,

maar zien dat God bezig is.

God belooft het – maar zie je het ook?

Ik geloof dat ze er echt wel zijn:

de verhalen uit je eigen leven of uit je omgeving,

waar je hebt gezien dat Gód iets deed.

En het lijkt me nu zo mooi om die verhalen gewoon te gaan delen!

Nee, niet perse nu,

al is het nooit een verkeerd moment om zulke verhalen te vertellen,

maar ik vind onze app ook een heel mooie plek om verhalen te delen.

Waar zie jij dat Gód bezig is?

Ik wil je uitdagen het met elkaar te delen.

Zodat we, net als Paulus,

nieuwe moed vinden om de liefde van Jezus uit te delen.

Amen.

Handelingen 18 - MEEDOEN MET GOD

Inleiding

Drie weken geleden zaten we als Menorah buiten, in het Jagersveld.

Behalve dat we heerlijk in het zonnetje hebben gezeten,

hebben we er ook mooie gesprekken gehad.

Onder andere over wat je voor Menorah verlangt.

 

Je zou zeggen: laten we die verlangens op een rijtje zetten, en… actie!

Want je kunt wel blijven dromen,

maar als je iets wilt, moet je daar gewoon de schouders onder zetten.

Als we het echt goed willen doen,

huren we een of ander duur bureau in

dat ons helpt om SMART en Lean en Agile te werken.

Ik heb ook geen idee wat dat is,

maar daarom huren we er ook een bureau voor in.

Nee, ik draaf een beetje door,

maar er zijn natuurlijk bewezen methoden

die je helpen verlangens in resultaat om te zetten.

 

Maar zitten we daar echt op te wachten?

Een kerk die zichzelf altijd maar moet verbeteren?

Een kerk van actiepunten?

Ik wordt daar eigenlijk ook wel heel moe van.

Deze zomer las ik in een artikel een verlangen voor de kerk

waar ik níet moe van wordt:

dat de kerk een plek is waar iets gebeurt omdat God er is.

Een kerk waar het niet afhangt

van een steengoede preek, een nog betere band,

en werkelijk sublieme koffie na de dienst,

waarmee we dan massa’s mensen trekken –

maar een kerk waar we met volle inzet aanmodderen,

en er dan getuige van mogen zijn dat God aan het werk is.

Zo’n kerk – daar verlang ik naar!

Een kerk waar het niet afhangt van onze actiepunten,

maar waar we mogen meedoen met God.

 

Dat is wat Paulus ervaart in het bijbelverhaal van vandaag:

hij hoeft het niet allemaal zelf te doen,

maar mag meedoen met wat Gód doet.

Laten we lezen: Handelingen 18:1-22.

 

1.    ‘En weer door’

We volgen vandaag nog één keer Paulus op zijn eerste reis door Europa.

Het begon allemaal in Troas, in het noordwesten van Turkije,

waar Paulus na maanden van rondzwerven een visioen kreeg:

‘kom over naar Europa!’

Paulus en zijn vrienden, Timoteüs, Silas en Lucas,

reisden mee met het eerste schip dat ze konden vinden,

en zo belandden ze in Filippi,

in de streek Macedonië, in het noordoosten van Griekenland.

Vandaar ging het door naar Tessalonica en Berea, ook in Macedonië,

door naar Athene, zo’n 500 kilometer zuidelijker,

en vandaag dus naar Korinthe.

 

Dat klinkt misschien als een heel lange reis,

zeker voor een tijd waarin reizen wat meer tijd kostte,

maar in werkelijk zijn er hooguit een paar maanden verstreken

sinds Paulus voet op het Europese vasteland zette.

Hij lijkt wel een campertoerist:

ze blijven hooguit 3 dagen op dezelfde plek,

en daarnaar trekken ze weer verder.

Ideaal als je in korte tijd zo veel mogelijk hoogtepunten wilt zien,

maar daar was Paulus niet voor gekomen.

 

Het is dan ook niet uit vrije wil dat Paulus overal zo kort blijft.

Maar overal waar Paulus komt en over Jezus begint

ontstaat in mum van tijd gedoe.

En het einde van het liedje is steeds hetzelfde:

Paulus is niet langer welkom,

en hij gaat weer door, naar een volgende stad,

waar hij bij voorbaat al weet dat de vraag niet is

óf hij zal worden weggestuurd, maar wanneer.

Steeds gaat Paulus door, met een bewonderenswaardige veerkracht:

Paulus lijkt onvermoeibaar.

 

2.    Meedoen met God

Voor we verder het verhaal in duiken,

lijkt het me goed even stil te staan bij waarom Paulus steeds maar door gaat.

Waarom denk hij niet:

‘hier zit niemand op Jezus te wachten,

dus ik kan beter mijn mond maar even houden’?

Zeg maar zoals Nederlandse christenen dat doen.

Volgens mij hebben we als Nederlandse christenen

vaak gewoon geaccepteerd dat geloven

slechts een manier is om in het leven te staan –

en dat je elkaar vooral vrij moet laten.

Ik sprak laatst iemand die geloven best iets vond hebben,

zolang het maar niet exclusief wordt:

dat ík er veel aan heb, betekent nog niet dat jij ook moet gaan geloven.

Ik ben Nederlander genoeg om dat argument helemaal te begrijpen.

 

Maar Paulus niet!

Paulus heeft een enorme drive om overal het evangelie van Jezus uit te dragen,

of mensen er nu op zitten te wachten of niet.

Die boodschap is hem zoveel waard, dat hij er alles voor overheeft.

Al riskeert hij zijn leven, hij zal zijn mond niet houden.

Zó belangrijk vindt hij het dat iedereen hoort

dat Jezus, de Zoon van God, is gekruisigd en opgestaan uit de dood.

Dat is geen privézaak: de pretentie van Paulus is veel en veel groter!

Iedereen moet weten wie Jezus is en wat hij heeft gedaan –

want dat heeft Jezus ook voor jou gedaan.

Geloven is niet iets wat voor mij werkt, maar voor een ander niet:

geloven gaat over de God die elk mens gemaakt heeft,

die ieder mens zoekt met zijn liefde en wacht op jouw antwoord.

Daar geeft Paulus zich helemaal voor.

 

Maar in Korinte zien we een andere Paulus.

Nee, hij houdt zijn mond niet, maar Paulus is moe en bang.

Jaren later schrijft hij in een brief naar de kerk die in Korinte is ontstaan,

1 Korintiërs 2: ‘ik kwam bij u in al mijn zwakheid, ik was angstig en onzeker.’

De reis door Europa, het steeds weer moeten vertrekken,

altijd maar weer dat gedoe zodra hij over Jezus begint,

het lijkt Paulus nu toch op te breken.

En ik ben blij dat we ook deze Paulus te zien krijgen!

Dat zelfs Paulus, met zijn enorme drive en veerkracht,

nu tegen een burn-out aan zit.

Paulus is ook maar een mens!

 

Hij weet heel goed dat niemand op zijn verhaal zit te wachten.

Dat schrijft hij later ook, in diezelfde brief, 1 Korintiërs 1:

‘de Joden vragen om wonderen en de Grieken zoeken wijsheid,

maar wij verkondigen een gekruisigde Christus,

voor Joden aanstootgevend en voor heidenen dwaas.’

Alsof Paulus een product aan de man brengt dat niemand wil.

Je kunt nog beter op de markt op de Rozengracht proberen levertraan te verkopen:

het is smerig (ik ben gelukkig jong genoeg om dat niet uit eigen ervaring te weten)

en er zijn betere manieren om aan je vitamientjes te komen.

Zo heeft Paulus een onmogelijke boodschap,

niet alleen voor Joden en Grieken, maar ook voor Nederlanders.

Want die boodschap van Jezus, de boodschap van het kruis,

is dat de ander boven jou gaat.

Jezus vind jou belangrijker dan zijn eigen leven,

maar dat betekent ook dat je niet meer leeft voor je eigen geluk,

maar dat geluk te vinden is in je geven voor anderen.

Probeer dat maar eens te verkopen…

 

Paulus maar voelt het weer mis gaan.

In de synagoge is Paulus al niet langer welkom.

Crispus, een leider van die synagoge, is overgelopen naar Paulus.

Normaal zou Paulus daar diep dankbaar voor zijn,

maar hij weet ook dat er gedoe van komt.

Het is een kwestie van tijd, en dan wordt hij weer weggestuurd.

Het verlamt hem.

 

Zoals we als christenen in Nederland, en ook als Menorah, verlamd kunnen zijn.

We willen echt wel de boodschap van Jezus delen,

-we geloven dat dat geen levertraan is, maar goed nieuws voor iedereen!-

maar we hebben al zoveel geprobeerd,

en het is zo frustrerend als er dan weinig uitkomt.

Dus durven we nauwelijks nog wéér missionair te worden.

Dus nodigen we niemand meer uit voor onze diensten,

en zitten we volgende week met een klein groepje in de veel te grote Oostzijderkerk,

want het heeft allemaal toch geen zin…

Dát is een verlamde kerk,

en ik wil je vragen niet verlamd te raken,

en juist wel mensen mee te nemen naar de kerk,

want het verhaal van Paulus gaat verder!

 

Als Paulus het allemaal niet meer ziet zitten en bang is,

krijgt hij een visioen, waarin hij door God bemoedigt wordt.

En wat ik zo mooi vindt in dat visioen,

is dat alle dingen die God erin belooft,

ook in dit hoofdstuk al zichtbaar worden.

Het zijn er drie, ik loop ze met jullie langs.

 

Belofte 1: ‘ik sta je bij’, oftewel: Paulus is niet alleen, want God is erbij.

Daarmee hebben we direct de kern van alle beloftes te pakken:

Gods koninkrijk hangt niet van mij af, maar van God!

En dat is niet alleen theorie: Paulus ziet het ook in de praktijk.

Eén van die plaatsen waar Paulus te vroeg moest vertrekken, is Tessalonica.

Paulus denkt regelmatig aan hen terug:

hij had ze graag zoveel meer over Jezus willen vertellen –

gaat het wel goed met ze?

In Korinte krijgt hij antwoord: Timoteüs en Silas waren achtergebleven in Tessalonica,

maar voegen zich nu weer bij Paulus,

en nemen mooie berichten en een flinke gift voor Paulus mee uit Tessalonica.

Paulus heeft er bijna niets kunnen doen, maar God is verder gegaan!

Dankbaar schrijft Paulus de Tessalonicenzen een brief.

 

Belofte 2: ‘niemand zal een vinger naar je uitsteken’.

Dat is precies waar Paulus bang voor is:

dat hij weer gedwongen wordt te vertrekken.

Maar in Korinte gaat het anders.

De Joden proberen het wel, ze slepen Paulus weer voor de rechtbank,

maar ze vangen bot bij Gallio, de Romeinse proconsul.

Ze hadden het zo slim bedacht:

volgens hen verkondigt Paulus een nieuwe religie,

en dat is in het Romeinse rijk verboden.

Maar Gallio wil daar niets van weten:

de godsdienst van Paulus is volgens hem gewoon een variant op de Joodse,

en hij heeft betere dingen te doen

dan zich met interne godsdienstgeschillen bezig te houden.

Daarmee geeft hij een juridische basis

aan dat het christelijk geloof er in het Romeinse rijk mag zijn!

En wat heerlijk voor Paulus: eindelijk kan hij blijven, kan hij wortelen.

Hij blijft in Korinte, anderhalf jaar.

 

Belofte 3: ‘veel mensen in deze stad behoren mij toe.’

Daarbij laat God zich echt niet tegenhouden

door dat mensen nog niet op hem zitten te wachten!

Wij kunnen wel denken dat het evangelie in Nederland weinig toekomst heeft,

maar vergeet nooit dat Christus aan het werk is!

Een prachtig voorbeeld hiervan is Sosthenes.

Toen Crispus van de synagoge naar Paulus overliep,

werd hij opgevolgd door ene Sosthenes.

Sosthenes is het brein achter de rechtszaak tegen Paulus.

Maar als de rechtszaak verloren is, keert het zich tegen hem:

ze zijn nu nog verder van huis.

Sosthenes wordt in elkaar getrapt.

Of dit het omslagpunt in zijn leven is, dat weten we niet,

maar wel dat hij later christen is geworden:

Paulus noemt hem later in zijn brief aan de Korintiërs.

Soms zou je van iemand nooit verwachten dat die nog eens christen wordt,

maar als God mensen op het oog heeft, gebeurt het!

 

Natuurlijk kun je die beloften niet 1 op 1 naar onze situatie doorzetten.

Ik weet niet wat Gods plan voor Zaanstad is.

Wat ik wel weet is dat we dezelfde God hebben als Paulus,

en dat deze God veel vaker belooft dat hij erbij is.

Als wij het goede nieuws van Jezus uitdragen,

als wij bouwen aan de kerk, aan de familie van Jezus, dan is God erbij!

Dan zijn we onderdeel van iets groters, van Gods plan met mensen,

van zijn wereldwijde beweging van liefde.

Gód is bezig, en dan gebeurt er iets, en in dat werk mogen wij meedoen.

 

3.    Zie jij God bezig?

Ik verlang naar zo’n kerk, waar we ons niet verliezen in actiepunten,

maar zien dat God bezig is.

God belooft het – maar zie je het ook?

Ik geloof dat ze er echt wel zijn:

de verhalen uit je eigen leven of uit je omgeving,

waar je hebt gezien dat Gód iets deed.

En het lijkt me nu zo mooi om die verhalen gewoon te gaan delen!

Nee, niet perse nu,

al is het nooit een verkeerd moment om zulke verhalen te vertellen,

maar ik vind onze app ook een heel mooie plek om verhalen te delen.

Waar zie jij dat Gód bezig is?

Ik wil je uitdagen het met elkaar te delen.

Zodat we, net als Paulus,

nieuwe moed vinden om de liefde van Jezus uit te delen.

Amen.